Regelmatig zie je vragen van beginnende digitale fotografen opduiken die betrekking hebben op de afkorting “DPI”.
Als ze hun eerste foto’s hebben gemaakt en op de harde schijf plaatsen, denken sommigen zelfs dat hun nieuwe camera foto’s van slechts 72 dpi aankan. En dit, terwijl hun afdrukcentrale 300 dpi eist.
Met dit artikel proberen we een beetje klaarheid te scheppen in het “DPI-mysterie”.
Hoe was het vroeger, bij analoog?
Als je een rolletje film ging kopen voor je analoge camera, moest je een formaat kiezen dat paste in je toestel.
Je had van die piepkleine (minox) negatiefjes, de gewone 35 mm (die we nu met full frame sensor aanduiden), en sommige toestellen maakten zeer grote negatieven (bijvoorbeeld 6x6cm).
Eenmaal de film belicht en ontwikkeld, hadden deze fotografen dus negatieven van zeer verschillende grootte in handen. Maar, op dat negatief stond nergens aangegeven welke afmetingen een uiteindelijke foto zou hebben op papier.
Het lag natuurlijk in de lijn der verwachtingen dat mensen met kleine negatiefjes eerder 9x13 cm "vergrotingen" zouden laten "afdrukken", zoals dat toen al heette, en die met 6x6 negatieven zonder probleem voor A2+ konden gaan.
Hetzelfde deed zich voor bij film. Je had de super-8, de semi-pro's met 16 mm, en dan de Hollywood-jongens waar elk frame de grootte van een dia had. Het is ook weer de grootte van het geprojecteerde beeld die de nood aan een bepaalde soort negatief dicteerde.
Je zou niet tevreden zijn om in de bioscoop een super-8 kwaliteit filmpje voorgeschoteld te krijgen op een scherm van 15 meter breed.
Dus in theorie kon je met gelijk welk negatief gelijk welk beeldformaat maken, alleen op een groter negatief zijn er voor dezelfde afbeelding veel meer details zichtbaar dan op een kleiner.
En er is een grens aan de vergroting, waarboven de kwaliteit van het beeld als slecht wordt ervaren. En het is logisch dat met een klein negatief die grens eerder werd bereikt dan met een groot. De afmetingen van het uiteindelijke beeld werden bepaald door de afstand van de lichtbron (vergrotingsapparaat of projector) tot het papier of het scherm.
Maar nu worden we geconfronteerd met een “printer”.
Hoe kunnen we de afdrukgrootte bepalen?
In feite is er niet zo heel veel verschil, alleen de terminologie is anders, en er zijn meer mogelijkheden.
Het digitale negatief.
Je bezit een digitaal fototoestel. Ik neem even aan dat je instelt op de hoogste fotokwaliteit en laten we het hebben over een 6-megapixelcamera, dat rekent gemakkelijk.
Onze sensor heeft een 3:2 verhouding van 3000 x 2000 pixels.
Het digitale negatief is na belichting niets anders dan een bestand op je geheugenkaart, afkomstig van de sensor.
Je zult zien dat het out-of-camera beeld een bestandsgrootte in megabytes heeft die ongeveer overeenkomt met het aantal megapixels van je sensor. (6 megapixels geeft dus een 6 megabyte-bestand)
Het woord is intussen gevallen: "pixels".
Laat het nu zo zijn dat dit dezelfde soort pixels is, waarmee je de afmetingen van je beeldscherm op je bureau aanduidt.
Met andere woorden: jouw 800 x 600 computerscherm of 1280 x 1024 zoals nu gebruikelijk, kan nooit een 3000 x 2000 pixel foto in haar geheel laten zien, of je zult moeten scrollen.
Ik ga ervan uit dat je viewersoftware niet op automatic resize staat natuurlijk. Photoshop doet wel zo een resize, maar laat daarbij zien hoeveel % kleiner hij je foto gemaakt heeft om ze volledig op het scherm te tonen: 50% bijvoorbeeld.
Belgiumdigital doet geen automatic resize, maar vraagt dat de foto die je aanlevert, in 100% grootte niet meer dan 900 pixels bedraagt aan de langste zijde.
Dat zal je dus moeten oplossen door bijvoorbeeld in Photoshop je digitaal negatief te verkleinen, liefst in stapjes van -10 % alleen aan die lange zijde.
De verhouding 3:2 blijft immers automatisch behouden bij die resize.
Dus eigenlijk kan ik, in tegenstelling tot analoog, mijn negatief kleiner (en groter!) maken om te gebruiken in een bepaalde omgeving of toepassing. Hieraan zijn wel wat kwaliteitsaspecten verbonden, maar daar ga ik hier niet op in.
De grootte van mijn bestand op de harde schijf zal kleiner worden in kilobyte als ik het aantal pixels van mijn beeld reduceer.
De grootte van mijn bestand wordt NOG kleiner wanneer ik een bepaalde compressiefactor gebruik, maar ook daar ga ik niet dieper op in.
Nu wil ik eindelijk een “afdruk” van mijn digitale foto op papier.
Ik neem mijn originele foto van 3000x2000 pixels terug als basis.
Het is enkel en alleen hier dat het begrip “DPI” ten tonele verschijnt. Dots per inch betekent letterlijk “het aantal druppeltjes per 2,5 cm”.
De afdrukcentrale, of het model van jouw printer, dicteert het aantal druppels dat de beste kwaliteit van foto oplevert.
Daar zit veel rek op, maar veronderstel even dat dit 300 DPI is.
Een eenvoudige berekening leert ons dan dat: 3000 pixels / 300 dpi = 10 inch = 25 cm langs de lange kant.
Van de andere zijde moeten we ons niets aantrekken want de 3:2 verhouding wordt automatisch aangepast.
Gebruik ik een afdrukcentrale die alleen op 200 dpi werkt, dan zal dezelfde foto daar 15 inch of 37.5 cm lang zijn.
Het DPI-gebeuren onder controle!
Er zijn zoveel mogelijke combinaties dat we ze hier niet allemaal kunnen bespreken, maar met experimenteren kom je een heel eind.
Een voorbeeld: je hebt je 3000x2000 foto en de centrale zegt, we willen alleen 200 dpi. Maar jij wilt geen 15, maar een 10 inch (ongeveer 25 cm) foto. Wat doe je dan?
De procedure hierna geeft je veel controle over het hele proces.
a) Open je foto In Photoshop, “Image”, “Resize”, waar je het beruchte “resample” vakje kan uitvinken.

b)Vink “resample” uit en zet je dpi op 200. Het systeem zal dan automatisch je foto op 15 inch lengte aangeven, te lang dus. (Je kunt ook rechtstreeks in centimeter werken, als je dat wil) Klik OK.

c) Ga terug naar “resize”, vink resample terug aan en verlaag nu de 3000 pixels in stapjes van -10% tot een pixellengte die net 10 inch of ongeveer 25 cm bedraagt.
Dat zullen dus 2000 pixels zijn. (Klik OK na iedere verlaging van –10% en begin opnieuw tot je aan 2000 bent: 2700->2400->2100->2000).
En, klaar is Kees!

Conclusies
a) Als je conclusie is: ‘ik zal van 1 foto verschillende versies moeten bewaren op de harde schijf’, dan is die juist.( één voor het internet, één om af te drukken op A4, enz…)
b) Als je conclusie is dat mensen die nooit een foto afdrukken, nooit met het begrip DPI in aanraking komen, dan is die juist.
c) Als je conclusie is dat enkel door te spelen met de DPI, er niets aan de grootte in kilo- of megabyte van je fotobestand verandert, dan is die juist.
d) Als je conclusie is, dat door een 3000x2000 beeld te projecteren via een beamer, de beeldkwaliteit zal verbeteren, dan is die fout. De beamer projecteert pixel voor pixel wat er op het computerscherm staat, en een 3000x2000 kan daar dus niet op. DPI heeft hier niets mee te maken.
e) Als jouw afdrukcentrale weigert om een 15x10cm foto te maken van jouw 3000x2000 pixelbestand omdat de dpi toevallig nog op 72 staat, zou ik snel een andere afdrukcentrale zoeken met meer verstand van digitaal.
Daarom is het beter om je foto’s zelf geschikt te maken voor de afdruk, omdat het “verkleiningsprocédé” van je centrale niet noodzakelijk rekening houdt met kwaliteit!
f) En het heeft dus geen zin om de foto’s in je internetalbum specifiek op 72 dpi te zetten om kopiëren te voorkomen. Het zijn de afmetingen in pixels en de toegepaste compressie die van belang zijn.
Over dit alles is dus nog veel meer te zeggen, vooral in relatie tot de beeldkwaliteit, maar dat is een ander verhaal.
DPaul.
© 2006 Belgiumdigital

