LICHT
Fotografie betekent zoveel als‘schrijven met licht’. Licht speelt een kritieke rol in hoe je foto er zal uitzien. Eerst en vooral moeten we weten dat ‘hét ideale licht’ niet bestaat. Het kan op verschillende manieren gebruikt worden en een slechte belichting voor de ene foto kan heel geschikt zijn voor een andere. Laten we daarom het fenomeen ‘licht’ eens naderbij bekijken aan de hand van drie eigenschappen: kleur, kwaliteit en richting.
De kleur van licht beïnvloedt de sfeer van een foto en wordt veel gelinkt aan temperatuur. We gebruiken de witbalans om bepaalde tonen te benadrukken of andere te manipuleren. Ter vereenvoudiging kunnen we de kleur van licht opsplitsen in 3 categorieën: neutraal licht (geen sterke tint), warm licht (geel, oranje of rood getint) en koel licht (blauw getint).
Fotografen die op zoek zijn naar neutraal licht gaan het beste op het midden van de dag op pad, niet in de voormiddag of in de late namiddag. Op dit tijdstip en bij een heldere hemel is het licht redelijk neutraal. Je moet echter voorzichtig zijn. Zware bewolking kan een kleurverschuiving naar blauw veroorzaken. Licht dat gereflecteerd of gefilterd wordt, kan eveneens een kleurverschuiving ondergaan. Als je bijvoorbeeld in een bos wil fotograferen, kan het licht een groene tint krijgen omdat het door de bladeren van bomen schijnt.
Warm licht zoek je best op bij zonsopkomst en –ondergang. Doordat de zon dan heel laag staat, moet het licht verder door een dikkere luchtlaag van de aarde reizen (de lucht wordt dunner naarmate je hoger in de atmosfeer gaat). Het resultaat is dat veel van het blauw licht verstrooid wordt in de atmosfeer, waardoor een warm licht ontstaat. Dit beïnvloedt ook de richting van het licht, maar daar komen we later toe.
Koel licht kun je meestal vinden in zogenaamde schemerperiodes: tussen het eerste licht van de dag en de zonsopkomst of tussen zonsondergang en duisternis. Het wordt veroorzaakt door hetzelfde fenomeen dat warm licht veroorzaakt. Luchtmoleculen verstrooien het koele, blauwe licht meer dan het warme, rode licht. Hierdoor komt blauw licht in de lucht terecht. Dat is de verklaring voor de blauwe tint van de lucht. Tijdens deze schemerperiodes wordt het landschap niet door de zon maar enkel door de lucht verlicht. Dat verklaart tevens waarom schaduwen meestal naar blauw neigen.
Gebruik koel licht voor een zachte sfeer te creëren, het is niet geschikt voor een dramatisch effect.
Saturatie verwijst naar de hoeveelheid wit licht dat in de kleur vermengd is. Gesatureerde kleuren bevatten weinig of geen wit licht, daarom zijn ze heel levendig. Aangezien kleur de sfeer en impact van een foto beïnvloedt, speelt saturatie hierbij een grote rol.
De kwaliteit van het licht wordt vaak opgesplitst in hard en zacht licht. Hard en zacht licht kunnen we beschrijven met behulp van contrast, schaduwdetail en dynamisch bereik.
Hard licht is heel direct, intens en meestal weinig flatterend. Het wordt dikwijls gekenmerkt door een gebrek aan schaduwdetail. Het roept een oncomfortabel gevoel op bij de toeschouwer. Kleuren zullen gewoonlijk gedesatureerd worden waardoor bv. een prachtige bloem in dit licht niet zo aantrekkelijk zal overkomen. De fotograaf gebruikt dit licht meestal om een ruw en/of grimmig beeld te scheppen.
Zacht licht is in zowat alles tegengesteld aan hard licht. Het heeft een laag contrast en kan heel diffuus en flatterend zijn. De overgang tussen lichte en donkere gebieden gebeurt gradueel tegenover het snijdend effect van hard licht. Een mistige of bewolkte lucht zal zacht licht verschaffen. Het is een van de redenen waarom landschappen meestal aan het begin of einde van de dag gefotografeerd worden.
Zacht licht roept een comfortabel beeld op. Het wordt gebruikt om het gevoel van schoonheid te versterken. Het gaat gepaard met meer gesatureerde kleuren en wordt veel gebruikt bij portretfotografie om het model beter te laten uitkomen.
De laatste eigenschap van licht is richting. Het gaat specifiek om de richting van het licht in verhouding tot de lijn van camera tot onderwerp. Er zijn 3 belangrijke richtingen die elk een andere impact hebben op het beeld: voor, achter en zijdelings.
Licht dat langs voor op het onderwerp valt, creëert een vlak beeld. Textuur en diepte worden tot een minimum herleid. Probeer dit zoveel mogelijk te vermijden of gebruik alleen een invulflits.
Zijlings licht kan een heel dramatisch effect teweegbrengen. Door een lage zonnestand of een raam kan een fotograaf van dit licht profiteren. Het kan heel goed werken in zwart-witfotografie omdat de schaduwen een heel belangrijke rol spelen. Probeer zelfs eens om de schaduw op zich als onderwerp te nemen.
Tegenlicht (licht langs achter het onderwerp) schijnt als het ware in de camera. Het kan ook een heel dramatisch effect creëren maar is tegelijk een uitdaging voor de fotograaf. Silhouettes zijn het gevolg van het te kleine dynamisch bereik van de camera en komen veel voor bij tegenlicht. Licht dat in de lens schijnt kan ook flare veroorzaken doordat het weerkaatst tussen verschillende elementen binnenin de lens. Digitale camera’s werken in het algemeen niet zo goed met felle lichtbronnen die in de lens schijnen. Denken we daarbij aan bizarre ‘banding’ die voorkomt bij het fotograferen van de zon.
Het is moeilijk om deze informatie zomaar in de praktijk om te zetten. Oefening en ervaring zullen er echter voor zorgen dat je het licht steeds beter zult kunnen gebruiken. Hopelijk zie je door dit artikel het licht ;) .
Met dank aan Gilad Benari


